Ik ben nu 57 en als ik eerlijk ben heeft de psychiatrie jarenlang bijna alles bepaald. Niet alleen therapieën of opnames, maar ook hoe ik naar mezelf keek. Op termijn bleef er nog weinig over van de originele Peter, behalve ‘de patiënt’, iemand met een rugzak, een dossier, een hopeloos geval en een verleden waar altijd rekening mee gehouden moest worden. Wie ik daarnaast nog was? Dat raakte ik onderweg ergens kwijt.
Vroeger dacht ik dat herstel betekende dat je op een dag terug de oude wordt. Alsof er een soort eindpunt bestaat waarop iemand zegt: nu ben je weer normaal, nu mag je opnieuw beginnen leven. Alleen heb ik dat punt nooit gevonden. Vermoedelijk bestaat het ook niet op die manier.
Bij mij zat verandering eerder in kleine, bijna banale momenten. Een wandeling zonder constant lawaai in mijn hoofd. Een gesprek met iemand die niet doorvroeg naar diagnoses of medicatie, maar gewoon vroeg hoe het echt met me ging. Ik herinner me zelfs nog een avond waarop ik toevallig oude muziek opzette en besefte: amaai, ik kan blijkbaar nog geraakt worden door iets. Het klinkt misschien klein, maar op dat moment betekende dat zoveel voor mij.
Er zijn ook wel dingen die moeilijk blijven. Ik merk sneller wanneer stress zich opstapelt. Drukke plekken putten me naar mijn gevoel harder uit dan vroeger, omdat ik er nu echt probeer aanwezig te zijn. Om diezelfde reden lijkt mijn energie soms plots op te zijn. Dat frustreert me af en toe meer dan ik zou willen toegeven. Er zit een soort rouw in herstel waar weinig mensen het over hebben. Niet alleen om wat gebeurd is, maar ook om een leven dat anders had kunnen lopen. Vriendschappen die verdwenen. Prachtige jobs die fout liepen. Gelukkig geeft mijn herontdekte leven genoeg voldoening om dat rouwen en beklagen naar de achtergrond te verdringen.

Tegelijk merk ik dat een verhoogde psychische kwetsbaarheid niet alleen iets afpakt. Het klinkt misschien raar, en ik wil het zeker niet romantiseren, maar sommige dingen zie ik nu scherper dan vroeger. Ik luister aandachtiger naar anderen. Ik denk dat ik milder ben geworden, voor mezelf, maar zeker ook voor anderen die nog intensief met hun kwetsbaarheid worstelen. En, niet onbelangrijk, ik kan nu wel enorm genieten van kleine dingen, ik noem ze ‘minigelukjes’.
Wat mij het meest geholpen heeft, was stoppen met mezelf voortdurend te vergelijken met wie ik vroeger was tijdens mijn moeilijke periodes. Of met leeftijdsgenoten die schijnbaar wel zonder moeite door het leven gingen, met een carrière, gezin, eigen huis… Ik ben stilaan beginnen zoeken naar wat voor mij nog haalbaar en betekenisvol voelt. Wat ik nu nodig heb om mezelf goed te voelen. Loslaten waar ik geen vat op heb, een leefbare structuur uitbouwen, opnieuw contact opnemen met mensen die me nauw aan het hart liggen, me weer nuttig kunnen maken. Niet groots of indrukwekkend, maar wel echt.
Ik denk niet dat jezelf herontdekken betekent dat je terugkeert naar een vroegere versie van jezelf. Eerder leren leven met wat er gebeurd is, zonder dat het alles bepaalt. Dat proces blijft misschien altijd wat rommelig. Sommige weken voel ik vooruitgang, andere dan weer totaal niet. Maar ergens onderweg ben ik mezelf toch opnieuw beginnen (h)erkennen, niet als een ‘genezen man’, maar eerder als iemand die ondanks alles toch blijft proberen om deel te nemen aan het leven. En dat voelt oké voor mij. Op mentaal vlak ben ik nu over het algemeen best een tevreden man, ondanks hier en daar wat moeilijke momenten.
En als ik eerlijk ben, dat voelt vandaag voor mij toch belangrijker dan perfect willen functioneren.


Plaats een reactie