Over-Leven met een mentale rugzak, herstel en ervaringswerk

Uit het doolhof: 2. Waar het begon

Mijn eerste herinneringen zijn niet bepaald de herinneringen die je bij een kind van zes zou verwachten. Geen verjaardag, geen eerste schooldag, geen speelgoed waar ik uren mee gespeeld heb. Mijn eerste echte flarden beginnen in een ziekenhuis.

Ik was een jaar of zes toen ik ernstig ziek werd door Streptococcus pyogenes, de bacterie die ook wel de fameuze ‘vleesetende bacterie’ wordt genoemd. Het was blijkbaar behoorlijk ernstig, al besefte ik daar als kind natuurlijk weinig van. We waren op vakantie in de Ardennen. Mijn ouders hadden er een chalet gehuurd. Op een bepaald moment begon ik bloed te plassen en mijn ouders zijn in allerijl met mij naar het ziekenhuis gereden.
Daarna lag ik enkele weken in quarantaine en heb ik blijkbaar serieus voor mijn leven gevochten.

Wat ik me daarvan herinner? Eigenlijk niet zo gek veel. En misschien net daarom zijn het vooral de vreemde details die zijn blijven hangen. Veel thee. Yoghurt. En heel veel cadeautjes.
Van wat de dokters vertelden, weet ik niets meer.

Ik heb geen idee welke onderzoeken ze gedaan hebben of hoe mijn ouders die periode precies hebben beleefd. Dat laatste is misschien nog het moeilijkste om me voor te stellen. Voor mij is het een herinnering met thee, yoghurt en cadeautjes. Voor mijn ouders zal het waarschijnlijk wel een heel andere en angstige periode zijn geweest.

Mijn moeder heeft later verschillende keren gezegd dat mijn gedrag vanaf die ziekenhuisperiode begon te veranderen. Volgens haar werd ik daar te veel verwend. Ik kreeg immers voortdurend cadeautjes en aandacht. Of dat werkelijk de reden was, weet ik niet. Achteraf lijkt het me nogal gemakkelijk om een duidelijke oorzaak aan te wijzen voor een verandering in een kind. Misschien heeft die periode inderdaad iets met mij gedaan. Misschien waren er andere dingen aan de hand die we toen niet zagen. Waarschijnlijk was het een combinatie van verschillende zaken.

Mijn herinneringen aan de lagere school zijn ondertussen behoorlijk fragmentarisch. Ik herinner me nog de namen van enkele leerkrachten, maar voor de rest zijn het vooral losse flarden. Wat wel duidelijk is blijven hangen, is dat ik veel gepest werd. Als kind weet je niet altijd wat je daartegen moet doen. Ik probeerde vooral zo weinig mogelijk op te vallen. Onzichtbaar te worden. Dat leek me veiliger dan voortdurend het mikpunt te zijn.
Tegelijk wilde ik er natuurlijk ook gewoon bij horen. Als er kattenkwaad werd uitgehaald, deed ik vaak mee. Niet omdat ik een geboren rebel was die voortdurend op zoek ging naar problemen. Ik deed gewoon mee omdat de anderen het deden. Misschien hoopte ik dat ik er op die manier een beetje meer bij zou horen. Dat is achteraf bekeken natuurlijk geen geweldige strategie, maar op die leeftijd denk je daar niet zo over na.

Bij lichamelijke opvoeding werd ik er in elk geval regelmatig aan herinnerd waar ik stond. Wanneer de ploegen gekozen werden, was ik steevast een van de laatsten. Je kent dat wel: twee kinderen worden aangewezen als kapitein en mogen om de beurt iemand kiezen. En jij staat daar te wachten. En te wachten. Tot er uiteindelijk weinig keuze meer overblijft.
Voor een volwassene stelt zoiets misschien niet veel voor. Voor een kind kan het behoorlijk hard aankomen.

Thuis was ik de tweede jongste van zes kinderen. Drie broers en twee zussen. Veel details van het dagelijkse leven thuis kan ik me niet meer herinneren. Toch weet ik vrij zeker dat ik niet bepaald het gemakkelijkste kind van de zes was. Ik was lastig. Rebels. Waarschijnlijk soms ronduit ambetant. Maar als ik er nu op terugkijk, vraag ik me ook af wat daaronder zat. Ik had toen natuurlijk niet de woorden om te zeggen dat ik me niet begrepen voelde. Een kind zegt niet: ‘Ik heb het gevoel dat mijn emotionele behoeften onvoldoende worden gezien.’ Dat verzin je pas veel later.
Een kind doet gewoon lastig. Of wordt boos. Of trekt zich terug. Of zoekt op een andere manier aandacht.

Bij mij uitte zich dat vaak in rebels gedrag. Misschien was dat mijn manier om ergens een plaats te proberen veroveren. Ik wist alleen zelf niet waar ik eigenlijk naar op zoek was.

Mijn herinnering aan ons gezin is niet die van een warm gezin. Dat klinkt misschien hard, en ik besef dat dit mijn herinnering is en dus niet noodzakelijk het volledige verhaal. Materieel hadden we wat we nodig hadden. Er was eten, een dak boven ons hoofd, kleding en alles wat een gezin in die tijd nodig had. Ik heb mijn ouders daar ook nooit iets voor verweten.

Maar warmte en genegenheid heb ik anders ervaren. Ik kan me bijvoorbeeld niet herinneren dat ik ooit een knuffel kreeg. Geen schouderklopje. Geen arm rond mijn schouders. Misschien zijn die momenten er wel geweest en ben ik ze vergeten. Dat sluit ik niet uit. Toch is het gevoel dat is blijven hangen er een van afstand. Er was een gezin. Maar voor mijn gevoel was er weinig emotionele warmte.

Dat heb ik mijn ouders lange tijd kwalijk genomen. Heel lang zelfs. In mijn hoofd was het vrij eenvoudig: ik had bepaalde dingen nodig gehad en zij hadden ze mij niet gegeven. Punt.
Pas enkele jaren geleden begon dat beeld wat te verschuiven. Ik las toen Ongezien opgegroeid van Lindsay C. Gibson. Dat boek heeft me niet plotseling doen vergeten wat ik vroeger heb gemist. Het heeft mijn ouders ook niet vrijgepleit van alles. Maar het heeft me wel op een andere manier naar hen laten kijken.

Mijn ouders waren tenslotte ook maar mensen. Ze waren zelf ooit kinderen geweest en hadden hun eigen opvoeding en ervaringen meegenomen in hun volwassen leven. Ze voedden ons op met de kennis die ze hadden. En eerlijk gezegd: die kennis was in de jaren zeventig gewoon anders dan vandaag. Wat wij nu normaal vinden op het vlak van opvoeding, emoties en praten met kinderen, was toen lang niet zo vanzelfsprekend. Er werd niet voortdurend gevraagd hoe je je voelde. Een kind moest vooral luisteren, flink zijn en niet te veel moeilijkheden veroorzaken. Dat maakt het niet automatisch goed maar het helpt mij wel om het beter te begrijpen.

Misschien hebben mijn ouders mij niet altijd gegeven wat ik emotioneel nodig had. Misschien wisten ze eenvoudigweg niet hoe dat moest. Misschien konden ze het zelf ook nooit geleerd hebben. En dat is toch iets anders dan zeggen dat ze niet van mij hielden. Dat onderscheid heeft lang geduurd voordat ik het kon maken.

Het heeft mijn kijk op mijn jeugd niet volledig veranderd. Sommige dingen blijven zoals ze waren en sommige pijn verdwijnt niet zomaar omdat je er later een verklaring voor vindt. Maar het heeft er wel voor gezorgd dat ik mijn ouders zaliger vandaag met iets meer begrip kan bekijken. En misschien is dat een belangrijk onderdeel van ouder worden: beseffen dat je herinneringen weliswaar van jou zijn, maar dat je niet noodzakelijk het hele verhaal kent.

Ik was dat kind. Ik heb het zo ervaren. En van daaruit begint mijn verhaal.


Ontdek meer van (On)gewoon Peter

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Klik op het logo rechtsboven

Ik ben Peter

  • 1969
  • Hoboken Antwerpen
  • Ervaringswerker bij HerstelAcademie
  • Verhoogde psychische kwetsbaarheid
  • Zot van bullet-journal

Uit het doolhof

‘De bladeren sterven af,’
zei Kleine Draak.
‘Wees niet bedroefd,’
zei Grote Panda.
‘In de herfst laat de natuur ons zien hoe mooi loslaten kan zijn.’

Grote Panda & Kleine Draak → James Norbury

Herstel begint daar, waar littekens geen eindpunt zijn, maar een routekaart naar hoop.

Reacties

Plaats een reactie

Thema

Tags

afhankelijkheid alleen zijn Angst armoede ass autisme spectrum stoornis Boek eenzaamheid ervaringsdeskundige ervaringswerker gedachten gelukkig zijn getuigenis GGZ Goed voelen grenzen herstelacademie Humor jeugdtrauma levend boek literatuur loslaten maskers me time Mijn verhaal opleiding opvoeden overleven psychisch kwetsbaar Recht-op Recht-Op vzw schaamte sociaal stigma Thomas More trauma Uit het doolhof verhaal vermoeidheid verslaving vluchten vooroordelen vrede zelfreflectie zelfzorg

Archief