
Mijn leven heeft zeer lang in het teken gestaan van overleven. Echt overleven. Met een hoofd dat nooit stil was, dat alle kanten opschoot, dat mij dingen influisterde die ik zelf op de duur begon te geloven. Angst, schaamte, woede, leegte… Proberen voor deze gevoelens te vluchten. Alleen, het zat allemaal tegelijk mee op de achterbank van de vluchtwagen, vaak zelfs gewoon aan het stuur.
Mijn verslaving kwam niet uit het niets. In de beginperiode was het een hulpmiddel. Een demper. Iets dat de scherpe randjes van het (over)leven haalde. Oorspronkelijk leek het zelfs te werken. Ik kon beter slapen. Praten zonder dat mijn hart uit mijn borst sprong. Ik voelde me even ‘normaal’. Maar dat even werd al snel allesbepalend. En voor ik het wist was ik niet meer degene die gebruikte. De verslaving gebruikte mij.
Ik heb helaas dingen kapotgemaakt. Relaties, vertrouwen, kansen. Vooral dat laatste voel ik nu nog vaak. Het idee dat ik een ander leven had kunnen hebben. Maar daar probeer ik tegenwoordig anders naar te kijken. Niet als verloren tijd, maar als de prijs die ik heb betaald om te komen waar ik nu ben. En waar ik nu sta ben ik ook trots op.
Ja, ik heb mijn weg min of meer gevonden. Ik drink niet meer. Ik gebruik niet meer. Ik heb een bepaalde vorm van structuur, een klein netwerk van mensen die weten wie ik echt ben. Ik kan al meer genieten van simpele dingen: koffie in de ochtend, een wandeling zonder opgejaagd gevoel, gesprekken die niet altijd om mij moeten draaien.
Maar deze ‘gevonden rust’ betekent niet dat alles is opgelost. Dat is misschien wel het grootste misverstand.
Wat zijn nu dan nog spoken uit mijn verleden?
Ten eerste mijn hoofd. Dat blijft gevoelig. Ik kan nog altijd overspoeld geraken door gedachten die groter voelen dan ze zijn. Het verschil met vroeger is dat ik ze nu herken, maar dat maakt ze niet altijd minder intens.
Dan is er eenzaamheid. Niet omdat er niemand is, maar omdat ik lang heb geleerd om me af te sluiten. Verbinding maken, ook al lijkt dat tegenwoordig misschien niet zo in omgang met mij, blijft soms voelen als een vreemde taal die ik wel begrijp maar niet vloeiend spreek. Gelukkig bestaat er ook ‘gebarentaal’.
Evengoed schaamte steekt nog af en toe de kop op. Zeker als ik terugdenk aan wat geweest is. Aan wat ik toen allemaal heb gedaan en helaas ook misdaan. Je leert ermee omgaan, maar het verdwijnt toch niet volledig. Het is stiller geworden, maar het zit er nog wel.
Er is ook nog steeds een soort van vermoeidheid. Jarenlang ‘aan’ staan, jarenlang vechten om te overleven, dat laat zijn sporen na. Rust vinden is één ding, rust kunnen vasthouden vraagt nog steeds energie.
Wat mij helpt is accepteren dat psychische kwetsbaarheid geen fase is die voorbijgaat, maar een onderdeel van wie ik ben. Het klinkt zwaar, maar het heeft me juist milder gemaakt. Minder streng voor mezelf. Veel minder gericht op alles moeten fixen.
Ik ben geen ander mens geworden. Ik ben vooral meer mezelf geworden, zonder verdoving. Met een pak minder vluchtgedrag. Met minder maskers.
Als je me vraagt hoe het leven nu is zou ik zeggen: het is kleiner maar echter. Minder spectaculair, maar veel eerlijker. Gelukkig zit tegenwoordig ergens, tussen de stilte en de momenten waarop het nog schuurt, iets wat ik vroeger niet kende.
Vrede.
Geen perfecte, maar wel echte.
Plaats een reactie